Episch theater

Als tegenkanting van het realistische theater ontstaat er in de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw het episch theater. Grondlegger van deze stroming was de Duitse theatermaker Bertolt Brecht. Net zoals Stanislavski hekelde Brecht het oppervlakkige theater of melodrama, waar de toeschouwers werden vermaakt door drama’s, kluchten en komedies. Maar waar Stanislavski koos om de realistische kant uit te gaan, verkoos Brecht een toneelstijl die mensen bewustmaakte van de maatschappelijke en politieke situatie. Om deze bewustmaking in de hand te werken maakte Brecht, en later ook andere theatermakers het publiek maar wat graag duidelijk dat alles wat er op het toneel gebeurt slechts schijn is. Zo kunnen er maskers gebruikt worden door de personages, worden er vertellers ingezet die commentaar geven op het toneelspel of vallen de personages uit hun rol en geven ze zelf commentaar op de handelingen die ze uitbeelden. Decorwissels worden ook uitgevoerd voor het oog van het publiek en het stuk wordt soms onderbroken door een lied, geen lied dat het verhaal verder helpt maar een lied waarin de situatie op het toneel kritisch wordt overschouwd. Deze elementen zijn op zich niet nieuw, en werden al gebruikt binnen de Griekse theatercultuur. Het doel waarvoor ze echter hier worden ingezet maakt dat het Episch theater wordt beschouwd als een aparte stroming.